Oorlogsbuit
Koloniale oorlog en de museumcollectie
Het Rijksmuseum beheert voorwerpen die in het verleden door het Nederlandse koloniale leger of de oorlogsvloot zijn buitgemaakt in gebieden die door Nederland werden gekoloniseerd. Het gaat om vlaggen, wapens en (kunst)voorwerpen die voordat ze werden bemachtigd eigendom waren van vorsten en strijders in Azië die in verzet kwamen tegen Nederlandse macht. Door de Nederlandse overheid werd oorlogsbuit uit de koloniën verdeeld over musea in Nederland. Ook het Rijksmuseum ontving koloniale oorlogsbuit. De buitvoorwerpen vertelden in het Rijksmuseum een verhaal over Nederlands kolonialisme, dat met nationalistische trots werd gepresenteerd. Nog steeds maken deze buitgoederen deel uit van de Rijksmuseumcollectie. Wat betekenen ze nu in het Rijksmuseum, in een wereld die kritisch kijkt naar het kolonialisme en waarin meer aandacht is voor het verhaal van de mensen van wie die voorwerpen zijn afgenomen?
Trofeeën
Het bemachtigen van oorlogsbuit was naast een militaire, ook een koloniaal-politieke daad. In Nederlandse handen werd de buit een oorlogstrofee, gebruikt als teken van overwinning en onderwerping. Voordat ze werden ingenomen, golden die voorwerpen als belangrijke bezittingen van lokale vorsten en volken, symbolen van politieke macht en soms antikoloniale strijdsymbolen. Maar in het Rijksmuseum waren de voorwerpen ontdaan van die betekenis, door ze juist te tonen als bewijsstuk van koloniale overheersing.
Vanaf ongeveer 1900 werd de oorlogsbuit voor een Nederlands publiek getoond als koloniale propaganda of als een schat uit de kolonie. Na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) en daaropvolgende dekolonisatie in Azië werden de koloniale buitgoederen door het Rijksmuseum lange tijd in het depot opgeborgen.
Restitutie
De wereldwijde, kritische discussie over de aanwezigheid van koloniale roofkunst in Westerse musea maakt dat voorwerpen die als oorlogsbuit in de Rijksmuseumcollectie zijn opgenomen opnieuw in de belangstelling staan. Bij die discussie hoort ook de vraag of voorwerpen die in koloniale oorlogen zijn buitgemaakt, terug moeten naar de oorspronkelijke eigenaren in Indonesië, Sri Lanka of in andere voormalig gekoloniseerde landen. Nederlands beleid maakt sinds 2022 restitutie mogelijk, als er sprake is van onvrijwillig bezitsverlies.
Het Rijksmuseum vindt het belangrijk om zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen en openbaar te maken hoe voorwerpen uit de koloniën indertijd in de collectie werden opgenomen. Welke personen en instanties speelden een rol? En welke betekenis hadden die voorwerpen voor de oorspronkelijke eigenaren? Hieronder volgt een beknopt overzicht van voorwerpen in de Rijksmuseumcollectie die in koloniale oorlogen in Indonesië werden buitgemaakt.
Vlaggen en kanonnen
Het Rijksmuseum beheert vijftien vlaggen en 20 kanonnen die in de 19de eeuw door de Nederlandse marine in de strijd op zee of op rivieren zijn buitgemaakt op Indonesische tegenstanders. In de militaire traditie is een veroverde vlag of kanon een teken van overwinning. Vanuit Nederlands-Indië werden de trofeeën ‘opgezonden’ naar Nederland, als bewijs voor behaalde overwinningen. Vanaf 1883 werden ze door het Ministerie van Marine overgedragen aan het Rijksmuseum. Tot omstreeks 1930 hingen enkele van de vlaggen als oorlogstrofeeën in de tentoonstelling over de Nederlandse geschiedenis in het Rijksmuseum. Verkleuring en aantasting van het materiaal deed het aanzien van de vlaggen in de loop der decennia sterk veranderen.
Oorlogsbuit uit Bone (Zuid-Sulawesi)
Zilveren theekannen, suikerpotten, een koffiekan en vier dienbladen. Hoewel je het er niet aan afziet, is de geschiedenis van dit huisraad sterk verbonden met de koloniale oorlog die Nederland in 1905 voerde tegen de raja van Bone, een vorstendom op het Indonesische eiland Zuid-Sulawesi. Op de dag van de Nederlandse aanval op de kustplaats Watampone vielen aan de Bonische kant 1000 doden en gewonden. In de volgende maanden werd met aanhoudend grof geweld het land bezet door het koloniale leger. De raja van Bone, Lapawawoi genaamd, werd gevangen genomen.
Het leger maakte in het oorlogsgebied enkele zilveren voorwerpen buit die in 1894 door het koloniale bestuur aan de raja cadeau waren gegeven ter gelegenheid van de islamitische vastenmaand. Het zilver was voornaam bezit van de raja. Er werd politieke betekenis aan toegekend, door de raja zelf en door het Nederlandse koloniale bestuur.
In september 1906 arriveerde een bijzondere kist bij het Rijksmuseum, afkomstig van het Ministerie van Koloniën. In de kist bevonden zich onder meer delen van een zilveren theeservies dat tijdens expedities op Bone en omliggende gebieden was buitgemaakt. Veertien maanden na het uitbreken van de oorlog werden deze zilveren objecten officieel opgenomen in de collectie van het Rijksmuseum. Voor zover bekend hebben ze sindsdien altijd in het depot gelegen en zijn ze nooit aan het publiek getoond.
Oorlogsbuit uit Goa (Zuid-Sulawesi)
In dezelfde oorlog tegen Bone werd door het koloniale leger ook de raja van Gowa en zijn gebied aangevallen. Ook hier werden voorwerpen van de raja buitgemaakt: onder meer een versierde sabel, medaille en erepenning. Dit waren geschenken geweest van het koloniale gouvernement aan de raja om hem te danken voor zijn loyaliteit. Deze ‘sieraden’ werden beschouwd als regalia, voorwerpen die de politieke macht van de vorst symboliseren. De sabel, medaille en penning zaten in dezelfde kist als de zilveren objecten uit Boni. Net als bij de Boni-objecten kennen deze voorwerpen een bewogen geschiedenis: van geschenk, via regalia en oorlogsbuit, tot museumcollectie.
Toch liep het met de Goa-voorwerpen anders. In 1929 vroeg de minister van koloniën aan het Rijksmuseum om de sieraden terug te ‘geven’. Het verzoek hiertoe kwam van de oudste zoon van de in 1906 in de strijd gesneuvelde vorst. “[…] [U]it oogpunt van goede staatkunde tegenover de thans uiterst loyale Goa-familie”, zo scheef de minister aan de directeur van het Rijksmuseum, “acht de Indische Regeering het zeer gewenscht, dat aan dit verzoek wordt tegemoet gekomen.” De sabel, de medaille, de penning en nog enkele serviesstukken werden inderdaad in 1930 door het Rijksmuseum ‘ter beschikking’ gesteld aan de Nederlands-Indische regering die de voorwerpen overdroeg aan de vorstenfamilie in Goa. Zonder die voorwerpen had de vorst geen politieke macht.
Oorlogsbuit uit Lombok
In augustus 1894 leed het koloniale leger op het eiland Lombok een grote nederlaag. Onmiddellijk volgde een reactie van het koloniale leger. In drie maanden tijd werden dorpen op Lombok met kanonnen beschoten en afgebrand. Paleizen en hofsteden van de uit Bali afkomstige vorsten op Lombok, werden geplunderd en met de grond gelijk gemaakt. Onder de lokale bevolking vielen vele slachtoffers.
De militaire arts J.W. Portengen nam deel aan de aanvallen op Mataram en Cakranegara, dicht bij elkaar gelegen complexen van tempels en vorstenverblijven. Een paar maanden na de verwoestende aanval op Lombok, vertrok Portengen naar Nederland. In zijn bagage moet hij zijn persoonlijke oorlogsbuit, die hij misschien zag als slagveldsouvenirs, hebben meegevoerd: onder meer twee vuurwapens, enkele lansen, vijf krissen, een klein kanonnetje, een aardewerken waterspuwer en een houten beeld. In augustus 1896 schonk Portengen deze voorwerpen aan het Rijksmuseum.
Het houten beeld werd in 1952 in langdurig bruikleen gegeven aan het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden (nu Wereldmuseum). In 2023 werd dit beeld door de Nederlandse overheid, tezamen met tientallen andere in het Wereldmuseum bewaarde voorwerpen die in 1894 op Lombok zijn buitgemaakt, aan Indonesië gerestitueerd.
Fotocredits
- Foto J.W. Portengen: RKD, Collectie Iconografisch Bureau, IB 4000227
- Brief J.W. Portengen: Noord-Hollands Archief, Archief 476 Rijksmuseum en rechtsvoorgangers, inventarisnummer 980, scan 673
- Dankbrief museumdirecteur: Noord-Hollands Archief, Archief 476 Rijksmuseum en rechtsvoorgangers, inventarisnummer 980, scan 674





