In de 16de, 17de en 18de eeuw laten Europeanen, waaronder de Nederlanders, op grote schaal plantages aanleggen in hun koloniën in het Caraïbische gebied.

Daarvoor moeten grote stukken bos worden ontgonnen en het land ingepolderd. Vaak gebruikt men dezelfde technieken als bij de aanleg van polders in eigen land. Dit zware werk wordt door mensen in slavernij gedaan. Het landschap verandert ingrijpend, wat nog steeds terug te zien is. Vervolgens zaaien, verbouwen en oogsten tot slaaf gemaakte mensen en, vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw, contractarbeiders de gewassen. Deze worden in kratten en vaten op schepen naar Europa verscheept. In Indonesië en Zuid-Afrika staan plantages bekend als tuinen of perken. Ook hier worden, net als in Zuid-Amerika, producten met gedwongen arbeid verbouwd.