
Handel en verzamelaars
Luxegoederen en kunstvoorwerpen uit Azië
Het beleid van de Nederlandse overheid rondom koloniale herkomst is gericht op het herstel van onrecht, op objecten die in koloniale, ongelijkwaardige relaties in het bezit van de Nederlandse staat zijn terecht gekomen. In Azië onderhielden Nederlanders relaties van uiteenlopende aard, variërend van handelscontacten met landen als Japan en China tot de bezetting van delen van Sri Lanka en Indonesië. Hieronder volgt meer over deze lappendeken aan contactpunten en de objecten die hierbinnen circuleerden.
Luxegoederen
Fraai gemaakte gebruiksvoorwerpen uit Azië, uit bijzondere en soms kostbare materialen zoals porselein, ivoor en parelmoer, waren geliefd in Europa. Vanaf de 16de eeuw zorgden Portugese schepen voor een directe zeeverbinding om deze voorwerpen te vervoeren. Vanaf de 17de eeuw nam de handel in deze voor de markt gemaakte voorwerpen toe: ook uit Nederland en andere landen voeren schepen naar Azië. De handel in die voorwerpen was voor de Nederlanders onderdeel van het koloniale systeem dat de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) vanuit het hoofdkwartier in Indonesië in de loop van de eeuwen steeds verder doorvoerde.
Kunstwerken
Naast de vraag naar luxegoederen kwam vanaf het eind van de 19de eeuw de belangstelling voor een ander soort kunstwerken: de voorwerpen die in de Aziatische landen zelf als kunst- of devotie-object werden gewaardeerd, zoals rolschilderingen uit China en Japan, sculpturen en rituele vaten in brons en steen uit India en Zuidoost-Azië. In de vroege 20ste eeuw ontstond er een bloeiende internationale handel in deze Aziatische kunstwerken, soms tegen een achtergrond van onevenwichtige machtsverhoudingen, waarvan hieronder een aantal voorbeelden wordt gegeven.
Nederlanders in Azië
Toen de eerste Nederlandse handelaren aan het eind van de 16de eeuw in Azië arriveerden, troffen zij daar al eeuwen bestaande handelsnetwerken aan. Het was hun ambitie handel te drijven binnen die Aziatische netwerken en geld te verdienen. Daarnaast kochten deze handelaren, verenigd in de VOC, goederen in voor de Nederlandse markt: specerijen, maar ook luxegoederen zoals porselein, zijde en lakwerk. De VOC moest zich soms schikken en dwong op andere plekken de handel agressief af. Op Banda verkreeg de VOC met grof geweld een monopolie op de productie in nootmuskaat, maar voor de handel in Chinese goederen moesten de VOC-kooplieden in havens buiten China afwachten wat Chinese schepen te koop aanboden.
Intensivering
In de 18de en 19de eeuw intensiveerde de handel zich. Er waren eenvoudige handelsgoederen als porseleinen serviesgoed en stoffen. Daarnaast was er een markt voor exclusieve voorwerpen uit de koloniale gebieden, zoals Indiase sitsen (gekleurde katoen) met familiewapens of ivoren kistjes uit Sri Lanka (destijds Ceylon). Er zijn weinig tastbare sporen van hoe die kunstnijverheid werd gemaakt en verhandeld, maar we weten dat de ongelijkheid tussen oorspronkelijke bewoners en de Europese handelslieden in de koloniale gebieden groot was.
Een uitzonderlijk voorbeeld van gedocumenteerde handel vormen de voorwerpen die de Chinese koopman Wang Jialu in de jaren 1770 via VOC-kooplieden in Kanton verkocht aan de Haagse verzamelaar Jean Theodore Royer. Daaronder was een porseleinen pagode, een toren van meer dan een meter hoog.
In Jakarta, op Sri Lanka
De meeste VOC-ambtenaren verbleven betrekkelijk kort op een handelspost in Azië voordat zij doorreisden naar een volgende bestemming. Wanneer welgestelde families zich wél voor langere tijd vestigden, richtten zij hun huizen in met fraai gedecoreerde meubelen en gebruiksvoorwerpen. Dit was vooral het geval in Jakarta (destijds Batavia) en op Sri Lanka. Zij kochten huisraad en andere gebruiksvoorwerpen van zeer bekwame lokale ambachtslieden. Op Sri Lanka had de VOC met geweld een monopolie op de handel in kaneel gevestigd. De daarmee verdiende rijkdommen stelden VOC-employees in staat om zich te omringen met rijkversierde voorwerpen, zoals een ivoren foedraal voor een lange pijp. Vanaf de 18de (in Engeland) en 19de (in de rest van Europa) eeuw zijn meubelen en zilver uit Sri Lanka en Java verzamelonderwerpen. Zij werden vanuit Azië naar Europa verscheept en gingen deel uitmaken van de internationale kunstmarkt.
Een nieuw gezichtspunt
In de 19de en 20ste eeuw bleef de belangstelling voor (oude) Aziatische luxegoederen bestaan. Deze circuleerden op de kunstmarkt in Europa en bleven arriveren vanuit Azië. Maar daarnaast drong bij Europese liefhebbers door dat er ook een heel andere categorie was: de kunstvoorwerpen die in Azië zelf werden beschouwd als belangrijke kunst- of devotievoorwerpen. In de kolonie van Nederlands-Indië groeide de belangstelling voor de sculptuur van de hindoe-Javaanse cultuur. Door de toename van bouw- en landbouwactiviteiten werden oude stenen en bronzen voorwerpen in het landschap aangetroffen. Deze archeologische voorwerpen werden vaak door koloniale ambtenaren verzameld, bijvoorbeeld een zilveren beeldje van de boeddhistische godheid Vajrasattva.
De internationale kunstmarkt
Japan opende in 1854 meer havens voor buitenlanders. Reizigers uit de buitenwereld leerden daar niet alleen Japanse kalligrafie, schilder- en beeldhouwkunst kennen, maar ook de Chinese, omdat in Japan vanouds Chinese kunst verzameld was. Deze voor Europeanen ‘nieuw ontdekte’ kunst, eerst vooral uit China en Japan, maar later ook uit de Himalaya, India en Zuidoost-Azië, werd al snel omarmd door de internationale kunstmarkt. Veel religieuze sculpturen werden uit hun oorspronkelijke context weggehaald. In Japan bijvoorbeeld, waar in de late 19de eeuw het boeddhisme een moeilijke tijd doormaakte, zagen veel tempels zich genoodzaakt om hun collecties deels te verkopen. Een boeddhabeeld kwam eerst in de verzameling van een Japanse kunstenaar terecht en werd uit diens nalatenschap in 1960 via een handelaar in Tokyo verkocht naar Nederland.
De 20ste eeuw
In het begin van de 20ste eeuw breidde de kunsthandel zich uit. In China werd de kunstmarkt beïnvloed door politieke instabiliteit en de val van de Qing-dynastie (1644–1911). In deze roerige periode verlieten veel kunstwerken en culturele objecten het Chinese vasteland en kwamen via diverse kanalen in het Westen en Japan terecht. Zo kon het bijvoorbeeld gebeuren dat het grote houten beeld van Guanyin aan het eind van de jaren 1920 door een Chinese handelaar naar Duitsland werd verkocht, waarna het vervolgens in 1939 in Nederlandse handen kwam.
De koloniale overheid in Nederlands-Indië zag erop toe dat oude tempels werden gerestaureerd. De meeste beelden bleven op hun plek, maar losse beelden werden verzameld en naar Jakarta overgebracht, waar ze in een nieuw opgericht museum kwamen te staan. De lokale gemeenschappen hadden hierin geen stem; de bestemming van kunstvoorwerpen werd door de Oudheidkundige Dienst bepaald, de archeologische dienst van Nederlands-Indië. Het gevolg was dat belangrijke verzamelingen naar Nederland werden overgebracht.
Kennis en waardering voor Aziatische kunst
In Nederland bestaat sinds 1918 de Koninklijke Vereniging van Vrienden der Aziatische Kunst (KVVAK), die de kennis en waardering voor Aziatische kunst wil vergroten. In 1930 ging een vertegenwoordiging op een aankoopreis door Azië. In Japan werden bij de kunsthandel Chinese en Japanse voorwerpen gekocht. In Indonesië kreeg de vereniging van het koloniale bestuur een aantal sculpturen in bruikleen en als schenking – daaronder was een bovendorpel met monsterkop uit het tempelcomplex Candi Sewu. In Cambodja besliste het Franse koloniale bestuur: de vereniging werd toegestaan om vier beelden te kopen, waaronder een fragment uit de grote boeddhistische tempel Ta Prohm in Angkor van een hoofd met vier gezichten.
Het Rijksmuseum en herkomstonderzoek
Sinds 1952 is de verenigingscollectie gehuisvest in het Rijksmuseum. De KVVAK en het museum hebben deze collectie verder uitgebreid door aankopen te doen op de (inter)nationale kunstmarkt. Vanaf het midden van de jaren 1990 doet het museum onderzoek naar de herkomst van deze voorwerpen. Recenter is daar ook onderzoek bijgekomen naar de omstandigheden waaronder de objecten het land van vervaardiging hebben verlaten en op de markt zijn gebracht. Van een aantal beelden is het herkomstverhaal achterhaald en gepubliceerd.
- Twee Oosterse sieraden uit de stadhouderlijke verzameling
- The Chinese Wooden Sculpture of Guanyin: New technical and art historical insights
- Temples, Inscriptions and Misconceptions: Charles-Louis Fábri and the Khajuraho Apsaras
- The Provenance of Four Sandstone Sculptures from Cambodia
- Twelve Stone Sculptures from Java









