Gedurende een deel van de 17de en 18de eeuw valt alle Nederlandse handel ten westen van Kaap de Goede Hoop onder het monopolie van de Geoctrooieerde West-Indische Compagnie (WIC).

De handel draait vooral om goud en tot slaaf gemaakte mensen. Op Amsterdamse veilingen worden grote hoeveelheden kaurischelpen gekocht, die door de VOC bij Mauritius zijn opgedoken. Met deze schelpen koopt de WIC in Afrika tot slaaf gemaakte mensen, die vervolgens onder dwang naar Midden- en Zuid-Amerika worden verscheept en daar als handelswaar worden verkocht. De WIC houdt zich ook bezig met kaapvaart, het veroveren van vijandelijke schepen in oorlogstijd. Op verschillende plaatsen in Afrika en Amerika wordt oorlog gevoerd met andere Europese mogendheden om het machtsgebied te vergroten. Daarbij speelt de WIC vaak lokale bevolkingsgroepen tegen elkaar uit om in steeds meer gebieden voet aan de grond te krijgen.