Daan Buringa
Acteur
Tobit is een erg mooi geschilderde blinde man: zijn ogen zijn open, maar tonen alleen witte oogballen, zonder irissen of pupillen. Hij zit smekend op zijn stoel, omdat hij niks kan. Anna geeft hem een bokje (ook erg mooi geschilderd), zodat hij even zoet is en zij weg kan uit zijn geklaag en gevraag. Ze kijkt hem strak en fel aan, vol frustratie. Kennelijk brachten mensen met een beperking in de tijd van Rembrandt alleen maar ellende met zich mee. Voor zichzelf en voor anderen: besmettelijke vervloekten.
Daarbij hoort wel een goed gevoel voor humor: Anna geeft het bokje aan Tobit en doet alsof het een lammetje is. Tobit ziet het verschil toch niet. Ze zegt dat het lammetje hem zelfstandig kan maken. Want als ze samenwerken, kunnen de lamme en de blinde alles aan.
Krista Milne
Docent Universiteit Leiden en PI van het project DISMANTLE
Dit schilderij draagt tegelijkertijd bij aan de representatie van blindheid in de vroegmoderne Europese kunst. Er wordt vaak aangenomen dat blindheid in het vroegmoderne Europa als een godsstraf werd beschouwd, maar de realiteit is complexer; de manieren waarop Rembrandt en zijn tijdgenoten het verhaal van Tobit en Anna hebben weergegeven, laat dit zien.
Rembrandt beeldt Tobit af als een vroom man die zich grote zorgen maakt over de mogelijkheid dat zijn vrouw misschien heeft gezondigd (al blijkt deze zorg later ongegrond). De hond, vlak naast zijn stoel, kijkt je recht aan. In de Latijnse Bijbelvertaling (Vulgaat) wordt echter geen hond beschreven, behalve de viervoetige reisgenoot van Tobias - Tobits zoon. Het is opmerkelijk dat de hond door Rembrandt als metgezel van de blinde vader is toegevoegd.
De hond is soms omschreven als een blindengeleidehond. Een ordinantie uit Leuven uit 1490 beschrijft hoe de bijbelse scène door ambachtelijke glazenmakers zou moeten worden verbeeld: “Ende achter dese vrouwe zal comen een oudt eerbaer man die blint es, geheeten [Tobit] (…) ende dese zal geleijt wordden van eenen hont oft van eenen cnecht.”
Zo blijkt de hulphond of geleidehond van Tobit een beeldtraditie die vanaf het einde van de middeleeuwen regelmatig opduikt. Mijn onderzoek aan de Universiteit Leiden gaat in op deze en andere observatie en onderzoekt hoe dergelijke hulpmiddelen werden gebruikt en hoe ze in historische bronnen worden weergegeven.
Anne Lenders
Conservator 17de-eeuwse Schilderkunst
Toen Rembrandt in 1626 Tobit en Anna schilderde, was hij werkzaam als zelfstandig meester in Leiden. Hoewel hij toen nog aan het begin van zijn carrière stond, is dat niet aan het schilderij af te zien. Met grote precisie en nauwkeurigheid schilderde hij de verschillende stoffen en materialen. Verder besteedde hij veel aandacht aan de natuurgetrouwe weergave van de gezichten. Voor de huid gebruikte hij rozige en geelachtige tinten en voor de rimpels meer bruinachtige kleuren. Rembrandt weet de menselijke emoties overtuigend weer te geven, een aspect waarmee hij zich al vroeg bezighield. Zo is Tobits wanhoop duidelijk aan zijn gezicht af te lezen en ook Anna’s verbijsterde blik is treffend vastgelegd. Rembrandt schilderde mensen niet mooier dan ze in werkelijkheid waren, maar juist zoals ze echt zijn, met al hun natuurlijke kenmerken en gelaatstrekken. Hierdoor komen zijn personages levensecht en geloofwaardig over.






















