Kom met figuur, bloemtakken en gelukssymbolen

anoniem, ca. 1680 - ca. 1720

Lage kom van porselein met verhoogd centrum op de bodem en rechte wand, beschilderd in onderglazuur blauw. De buitenzijde van de kom met een band ingegrift swastika-patroon waaronder viermaal een bloemtak (chrysant, lotus, pioen, prunus), rond de voet een band met ruyi-motief; op de bodem rond het verhoogde centrum een band met kostbaarheden (parel, hoorn), gelukssymbolen (schelp, vissen, oneindige knoop), boeken en koraal; op de wand viermaal een taoïstische onsterfelijke, Lan Ts'ai Ho (Lan Caihe), met bloemenmand. Blauw-wit.

  • Soort kunstwerkkom
  • ObjectnummerAK-NM-6845-A
  • Afmetingenhoogte 6,9 cm, rand: diameter 18,6 cm, voet: diameter 8,9 cm
  • Fysieke kenmerkenporselein met onderglazuur blauw

Identificatie

  • Titel(s)

    Kom met figuur, bloemtakken en gelukssymbolen

  • Objecttype

  • Objectnummer

    AK-NM-6845-A

  • Beschrijving

    Lage kom van porselein met verhoogd centrum op de bodem en rechte wand, beschilderd in onderglazuur blauw. De buitenzijde van de kom met een band ingegrift swastika-patroon waaronder viermaal een bloemtak (chrysant, lotus, pioen, prunus), rond de voet een band met ruyi-motief; op de bodem rond het verhoogde centrum een band met kostbaarheden (parel, hoorn), gelukssymbolen (schelp, vissen, oneindige knoop), boeken en koraal; op de wand viermaal een taoïstische onsterfelijke, Lan Ts'ai Ho (Lan Caihe), met bloemenmand. Blauw-wit.


Vervaardiging

  • Vervaardiging

    pottenbakker: anoniem, China

  • Datering

    ca. 1680 - ca. 1720

  • Zoek verder op

  • School / Stijl


Materiaal en techniek

  • Fysieke kenmerken

    porselein met onderglazuur blauw

  • Afmetingen

    • hoogte 6,9 cm
    • rand: diameter 18,6 cm
    • voet: diameter 8,9 cm

Toelichting

  • AK-NM-6845 Kom • Blauw-wit Kangxi-porselein • Onderdeel van Royers porseleincollectie • Mogelijk onderdeel van Huygens’ porseleincollectie • Oorspronkelijk zes exemplaren (inventaris Van der Kellen 1876) Royer had maar liefst zes van deze kommen met een opmerkelijke bolling in de bodem. Twee daarvan zijn waarschijnlijk afkomstig uit de inboedel van zijn tante Susanna Louise Huygens (1714-1785). Volgens de boedelbeschrijving had zij ‘Twee platte kommen met witte antique randen opwerk van rontom, met bloembouquetten, van binnen met vier vrouwtjes, met bloemkorfjes aan een stok.’ Er kan weinig twijfel bestaan dat deze beschrijving op deze kom slaat, al is het meest karakteristieke element, de bolling, niet genoemd. De vorm van de kom zelf is interessant: laag en wijd, zoals gebruikelijk in de vroege Ming-tijd en veel minder gangbaar in de Kangxi-periode – al is deze kom kleiner dan de Ming-voorbeelden en is de iets uitlopende wand ook a-typisch voor die vroege stukken. Toch is het vanuit Chinees perspectief in ca. 1700 een oude vorm. De taoïstische Onsterfelijke (Lan Caihe) aan de binnenzijde is gecombineerd met een aantal boeddhistische elementen rond de bolling: een paar vissen en de mystieke knoop. De Chinees-culturele achtergrond is goed vertegenwoordigd. De beschrijver van de Huygens-boedel spreekt echter over antieke randen. Het is de ingegrifte rand met een geometrisch patroon – een interessant decoratief element, ingegrift in het zongedroogde en geglazuurde, maar nog niet gebakken porselein. De band heeft een duidelijke overeenkomst met lopende-hond-banden op Grieks aardewerk, geschilderd en soms ook ingegrift. In Royers tijd bloeide de belangstelling voor de klassieke oudheid, het was de tijd van het neo-classisme. Een beroemde, rijkelijk geïllustreerd gepubliceerde (1766) verzameling is die van William Hamilton (1730-1803). Grieks aardewerk en de daarop voorkomende decoratiemotieven kunnen dus als bekend worden verondersteld op het moment dat Susanna Louises boedel werd beschreven. Mogelijk biedt de band met de klassieke oudheid ook een verklaring voor de bolling. Etrusken en Romeinen gebruikten een kleine, wijde en lage schaal met precies zo’n bolling, een ‘patera umbilicata’, voor plengoffers: het uitgieten van wijn over de aarde, een offerdier of een altaar [vriendelijk mededeling Ruurd Halbertsma, Museum van Oudheden, Leiden]. De uitholling aan de onderzijde bood plaats aan twee vingers en had een praktische functie. Rond de bolling konden ingekraste of ingestempelde decoratiemotieven (lotus, palmet) worden aangebracht, vergelijkbaar met de geschilderde elementen in de Chinese kom. Deze schaaltjes zijn niet bijzonder zeldzaam en zijn bovendien veel afgebeeld (in gebruik) op Romeinse grafreliëfs. In het Midden-Oosten leefde deze vorm voort in bronzen schalen, versierd met ingegrifte kalligrafie (Victoria and Albert Museum MET.LOST.465; MET.LOST.487; 843-1891). Door de handelscontacten met landen in het Midden-Oosten zou de vorm dus in China in de Kangxi-periode bekend kunnen zijn geweest en als uitgangspunt gediend kunnen hebben voor de pottenbakkers – al is dat wel een vrij wilde veronderstelling. Dat de overeenkomst aan het einde van de 18de eeuw herkend werd is wel aannemelijk. Behalve de belangstelling en praktische kennis van aardewerk uit de klassieke oudheid (op Hamilton is al gewezen) bestond er ook een meer filosofische interesse voor de relatie tussen het vaatwerk van de Chinese en klassieke oudheid: ‘Les vases anciens vs les vases antiques’ [Smentek 2016 en Choi 2018]. Deze discussie werd vooral in Frankrijk gevoerd. Franse verzamelaars hielden erg van hardstenen vazen uit de oudheid of gebaseerd op de vormentaal uit die oudheid. Over archaïsche Chinese vaten was eigenlijk niets bekend. De grote verzamelaar en China-liefhebber Henri-Léonard Bertin (1720-1792) had (misschien wel als enige in Europa) een prachtige serie houtsneden van de oude bronzen vaten uit de collectie van de Chinese keizer – een uitstekende, maar voor 18de-eeuwse Europeanen eigenlijk niet te begrijpen bron. Ondanks het gebrek aan kennis bestond er wel een fascinatie voor de grote ouderdom van de Chinese cultuur en drong de vraag zich op hoe zich die verhield tot de zo geliefde ‘eigen’ klassieken. Vanuit dat perspectief is het goed te begrijpen dat Franse verzamelaars graag Chinese vazen toevoegden aan hun collectie hardsteen. Monochromen waren geliefd en de ouderdom daarvan was moeilijk te bepalen. Voorzien van een classicistisch verguld bronzen montuur mengden zij uitstekend met de Europese stukken. Al bleven de Chinese vazen ‘ancien’ en werden ze nooit ‘antique’, toch konden ze naast elkaar getoond en gewaardeerd worden. Royers ‘plengschaaltje’ heeft minder pretenties dan een gemonteerde vaas. Maar het kan gezien worden als verre verwant, als een terloopse en in grote oplage gemaakte uitdrukking van de fascinatie voor de oude culturen uit Oost en West. Bronnen: Kristel Smentek, ‘China and Greco-Roman Antiquity: Overture to a study of the Vase in Eighteenth-Century France’, Journal 18 (Spring 2016). Kee Il Choi, ‘Ancien vs Antique: Henri-Léonard Bertin’s Album of the Qianlong Emperor’s “vases Chinois”’ Journal 18 (Fall 2018).


Verwerving en rechten

  • Copyright

  • Herkomst

    ...; collection Jean Theodore Royer (1737-1807), The Hague;{Note RMA.} bequeathed by his widow to King William I, 1814;{Note RMA.}; transferred to the Royal Cabinet of Curiosities, The Hague, 1816;{Note RMA.} from whom transferred to the museum, 1885


Documentatie


Duurzaam webadres