De voet van de ronde bokaal is opgebouwd uit een licht gewelfde onderrand, versierd met een gestempeld, repeterend patroon van bladeren, een geprofileerde rechte wand met een bloklijst, een gewelfd gedeelte met rolwerkcartouches en acanthusbladeren op een geponste ondergrond, een tweede geprofileerde rechte wand met een gestempeld fries van leeuwenmaskers en draperieën, en weer een gewelfd gedeelte, met een versiering van guilloches. De vaasvormige nodus rust op een rechte geprofileerde basis met een bloklijst. Hij is versierd met door bandwerk verbonden knorren op een gearceerde ondergrond en met drie vrijstaande voluten en wordt bekroond door een straalsgewijs aangebrachte rand van bredere en smallere bladvormen. Een smalle geprofileerde band vormt de overgang naar de conische cuppa, die aan de onderzijde wordt afgesloten door een gebold gedeelte en aan de bovenzijde door een gladde gewelfde liprand. Het gebolde gedeelte is versierd met knorren onder een bladerrand waarboven satyrmaskers tegen rolwerkcartouches, afgewisseld met vruchtentrossen op een geponste ondergrond. Het conische gedeelte is gedreven met twee voorstellingen uit de gelijkenis van de verloren zoon: de verloren zoon in een bordeel en als varkenshoeder. Het deksel is op nagenoeg dezelfde wijze opgebouwd als de voet, maar de versieringen komen niet overeen. De onderrand is opgebouwd uit brede en smalle vormen. Het onderste gewelfde gedeelte vertoont groteske maskers tegen rolwerkcartouches, afgewisseld met aan linten opgehangen vruchtentrossen op een geponste ondergrond. Het gestempelde fries van de rechte wand is gelijk aan dat op de voet, en het bovenste gedeelte is versierd met bladmotieven. Op de vaasvormige knop zit een aan een blok geketend everzwijn.