Voordat Klompé de politiek ingaat, is ze docent scheikunde en promoveert ze in datzelfde vakgebied. Tijdens de oorlog is ze actief in het verzet. Voor Klompé is het vanzelfsprekend dat vrouwen even geschikt zijn voor publieke functies als mannen. Na de oorlog gaat ze de politiek in en mobiliseert ze andere vrouwen om hetzelfde te doen. Als Tweede Kamerlid voor de Katholieke Volkspartij houdt Klompé zich bezig met buitenlandse zaken, maatschappelijk werk en hoger onderwijs. Ze wordt in 1956 minister van Maatschappelijk Werk en bekleedt daarna verschillende ministersposten. Onder het toeziend oog van Klompé wordt de verzorgingsstaat uitgebreid, met als hoogtepunt de invoering van de Algemene bijstandswet in 1965. In 1971 wordt Klompé benoemd tot minister van de staat, een eretitel voor haar verdiensten.
Aan de slag met de collectie:







