Nederland heeft vanaf het eind van de 16de eeuw tot ver in de 19de eeuw meer dan een miljoen mannen, vrouwen en kinderen uit Azië en Afrika tot slaaf gemaakt.

Deze mensen werden naar een voor hen onbekende plek op de wereld verscheept. Ze moesten werken op plantages, in het huishouden van de slavenhouder of bij de bouw van forten en stadsmuren. Het systeem varieerde overal op de wereld afhankelijk van de situatie, maar was in de kern hetzelfde: mensen werden op basis van hun huidskleur of geloof tot object gemaakt. Mensen in slavernij hebben altijd op grotere of kleinere schaal gevochten tegen het systeem. Ze verzetten zich op alle mogelijke manieren. Van kleine sabotagedaden en marronage, het ontvluchten van het plantagesysteem, tot het bestrijden van het gehele systeem.