De meeste plattelandsbewoners in de 16de eeuw zijn zelfvoorzienende, kleine boeren. Dat verandert in de 17de eeuw: boeren gaan produceren voor de handel en er ontstaan landbouwbedrijven.

Dit zorgt in de loop van de eeuw voor grote veranderingen in plattelandsgemeenschappen. Bewoners gaan verschillende ambachten beoefenen: kleermakers, schoenmakers, wevers, schippers en handelaars. Ook dienstverlening en nijverheid komen op. Qua sociale structuur en beroepen op het platteland zijn er verschillen tussen de provincies, en zelfs binnen dezelfde provincie. Net als Holland, zetten Friesland en Zeeland sterk in op agrarische commercialisering en specialisatie. Gelderland, Overijssel, Brabant, Limburg en Drenthe blijven wat achter, maar ook hier vindt handel plaats en verandert de plattelandseconomie. Groningse boeren fokken bijvoorbeeld rundvee voor handel met Denemarken, en ook Drentse boeren verhandelen vee.