In de naoorlogse periode hadden Europese landen grote behoefte aan samenwerking. Hierdoor hoopten zij het economisch herstel te bevorderen en nieuwe onderlinge strijd te voorkomen. Sinds 1958 was er vrijhandel tussen de leden van de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Later kwam er nauwere samenwerking tussen 27 lidstaten van de Europese Unie (EU) en een aantal landen kreeg zelfs een gemeenschappelijke munt: de euro.

Volgende

1944-1957 Benelux

Illustratie brochure _Beneluxtentoonstelling in de Bijenkorf_ Amsterdam, c. 1948

Illustratie brochure Beneluxtentoonstelling in de Bijenkorf Amsterdam, c. 1948

Nog in het laatste oorlogsjaar, 1944, sloten de gevluchte regeringen van België, Nederland en Luxemburg in Londen een eerste samenwerkingsverdrag. Dankzij deze ‘douane-unie’ konden de drie landen na de bevrijding onderling vrij goederen transporteren. Ook hanteerden zij een uniform tarief voor goederen van buiten de Benelux. Sinds 1958 was de Benelux een economische unie en vanaf 2010 wordt nauwer samengewerkt bij duurzame ontwikkeling en justitie. Naast de Benelux kwam er in de naoorlogse periode een groter handelsverbond . Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland en Italië richtten in 1951 de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) op. Binnen deze landen was er voortaan vrijhandel in kolen en staal. Kolen waren de voornaamste brandstof en staal was nodig voor de wederopbouw van Europa.

Vorige Volgende

1957-1992 Europese Unie

De Europese top in Maastricht. Werry Crone, 1991

In 1957 ondertekenden de drie Benelux-landen met West-Duitsland, Frankrijk en Italië het Verdrag van Rome, waarmee de Europese Economische Gemeenschap (EEG) ontstond. Deze douane-unie garandeerde vrijhandel van alle producten binnen de regio. Ook voerde de EEG een gemeenschappelijk landbouwbeleid en ontstond EURATOM, gericht op de ontwikkeling van kernenergie voor vreedzame doeleinden. Deze drie instellingen – EGKS, EEG en EURATOM – zijn samengevoegd tot Europese Gemeenschappen (EG). Na de ondertekening van het Verdrag van Maastricht volgde hierop in 1992 de Europese Unie. Dit statenverband groeide uit tot 27 lidstaten, die op steeds meer terreinen gingen samenwerken. Er werd zelfs een Europese grondwet ontworpen. Met de ratificatie van deze grondwet had de EG volledig moeten plaatsmaken voor de Europese Unie, maar Frankrijk en Nederland hebben het voorstel verworpen, na afwijzende burgerreferenda.

Vorige

1992-2002 Euromunt

Euroster met de zeven eurobankbiljetten. Duitsland, 2001

Bij de onderhandelingen in Maastricht was ook bepaald dat er één centrale Europese munt zou komen. Op 1 januari 2002 werd deze munteenheid, de euro, tegelijkertijd ingevoerd in 12 van de 27 EU-lidstaten. Later volgden nog enkele kleine landen tot een totaal van 17, maar een belangrijke lidstaat als het Verenigd Koninkrijk behield zijn oude munteenheid. Om de grote wisseloperatie te bespoedigen, kregen Nederlandse burgers een gratis setje euromunten. Landen waar de euro wettig betaalmiddel is, coördineren ook hun economische en financiële politiek in de Europese Economische en Monetaire Unie (EMU). Verantwoordelijk voor het geldmarkt- en wisselkoersbeleid is de Europese Centrale Bank (ECB). Om de stabiliteit van de Europese munt te garanderen, zijn er strenge regels voor deelname, zoals maxima voor het begrotingstekort. Sinds de economische recessie hebben steeds meer landen die regels overtreden.