In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog kwamen immigranten vooral uit voormalig Nederlands-Indië. Vanaf de jaren 60 trokken de overheid en bedrijfsleven arbeiders aan uit landen als Italië, Spanje, Turkije en Marokko. Deze multiculturele samenleving krijgt de laatste jaren zware kritiek te verduren.

Volgende

1960-1985 Gastarbeiders

Marokkaan in pension. Koen Wessing, 1975

In de periode van de wederopbouw en de florerende industrie kreeg Nederland behoefte aan extra arbeiders. Werkgevers en ook de overheid zelf zochten goedkope arbeidskrachten in Zuid-Europa en later Turkije en Marokko. Hoewel deze ‘gastarbeiders’ na een paar jaar zouden moeten terugkeren naar het land van herkomst, kregen zij steeds vaker permanente werkvergunningen. Ook mochten zij hun familie laten overkomen. Daarnaast werd asiel verleend aan politieke vluchtelingen en vóór en na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 kwamen er veel bewoners van deze voormalige kolonie naar Nederland. Door de komst van niet-Westerse immigranten is de veelkleurigheid van Nederland snel toegenomen. Nieuwkomers brachten ook eigen keuken, gebruiken, taal en religie met zich mee. Naast moskeeën zijn er sinds de jaren 80 hindoe- en islamitische basisscholen gekomen.

Vorige Volgende

1985-2004 Integratiedebat

De Schreeuw, ontwerp voor een kunstwerk ter nagedachtenis aan Theo van Gogh. Jeroen Henneman, 2005

Halverwege de jaren 80 ontstond er discussie over het integratiebeleid. Behoud van eigen cultuur bleef de norm, maar om de achterstandspositie van immigranten en hun kinderen te verbeteren was er meer aandacht voor onderwijs en arbeidsmarktparticipatie. De toon van het migratiedebat verhardde in de jaren 90. De extreemrechtse politicus Hans Janmaat werd vanwege zijn uitspraken over massa-immigratie zelfs veroordeeld tot boetes en celstraf. Hij wilde de multiculturele samenleving afschaffen. Intellectuelen als Frits Bolkestein en Paul Scheffer en de politicus Pim Fortuyn gaven het integratiedebat later een nieuwe impuls. Sinds de terreuraanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten is kritiek op moslims en de islam exponentieel toegenomen. Een van de criticasters was cineast en columnist Theo van Gogh. Vanwege zijn felle uitspraken is hij in 2004 vermoord door een radicale moslim.

Vorige Volgende

2004-2006 Na de moord op Van Gogh

Hirsi Ali kondigt haar vertrek uit de politiek en Nederland aan. Roel Rozenburg, 2006

Aanleiding voor de moord op Theo van Gogh was de uitzending van Submission. Deze film over vrouwenonderdrukking in de islamitische wereld had hij gemaakt met VVD-politica Ayaan Hirsi Ali. Na de moord op Van Gogh moest zij tijdelijk onderduiken, uit angst voor vergeldingsacties van extremistische moslims. In binnen- en buitenland heerste grote verontwaardiging over de moordaanslag op Van Gogh, die werd gezien als aanslag op de vrijheid van meningsuiting. Enkele islamitische scholen werden in brand gestoken, maar grootschalig geweld bleef achterwege. Het politieke debat ging vooral over integratie van nieuwkomers en dubbele nationaliteiten. Hirsi Ali is daar zelf het slachtoffer van geworden: omdat zij onjuiste persoonsgegevens had verstrekt bij haar naturalisatieverzoek rezen er twijfels over de geldigheid van haar Nederlanderschap. In 2006 verliet zij het land.

Vorige

2006-2012 Vrijheid en provocatie

Verkiezingscampagne van Geert Wilders voor de PVV. Joost van den Broek, 2006

Tegeltableau Oud West–Thuis Best. Arno Coenen, 2007

Na het vertrek van Hirsi Ali werd het debat over migratie en de positie van de islam voortgezet door de voormalige VVD-politicus Geert Wilders. Als voorman van de Partij voor de Vrijheid (PVV) was Wilders succesvol in de Tweede Kamerverkiezingen van 2006 en 2010. Zijn provocerende uitspraken over dubbele nationaliteiten, de Koran en draagsters van hoofddoeken haalden dikwijls de pers. Tegelijkertijd waren er ook meer gematigde geluiden te horen waarin juist werd gepleit voor meer tolerantie en acceptatie van andersdenkenden in de Nederlandse samenleving.