In 1863 werd het einde van de slavernij in Suriname en op de Antillen officieel afgekondigd. In Nederlands-Indië was dat een paar jaar eerder geruisloos gebeurd. Nederland was laat met deze modernisering. Nadat Denemarken in 1803, Groot-Brittannië in 1834 en Frankrijk in 1848 waren voorgegaan, werden eindelijk ook de tienduizenden slaven in Nederlands West-Indië van hun ketenen bevrijd.

Volgende

Opstand

Penning geschonken aan slaaf George wegens bewezen trouw tijdens de onrusten te Nickerie. Suriname, 1837

De afschaffing van de slavernij in Brits-Guyana in 1834 leidde tot onrust onder de slaven in het nabijgelegen district Nickerie in Suriname. De Nederlandse autoriteiten versterkten het garnizoen en namen andere maatregelen. Desondanks kwam het in 1837 tot een opstand. Ook op suiker-, koffie- en tabaksplantages in andere delen van Suriname groeide onder de slaven het verzet en werden vluchtpogingen ondernomen.

Opstand kwam op de plantages in de West-Indische koloniën vaker voor en werd streng onderdrukt. In het oerwoud van Suriname vormden zich al in de 18de eeuw gemeenschappen van gevluchte slaven, die soms ook aanvallen uitvoerden op plantages. De opstandelingen van Nickerie werden in 1837 zwaar gestraft, anderen werden beloond voor hun trouw aan het gezag. Deze penning werd geschonken aan de slaaf George van de plantage Leasowes ‘wegens bewezen trouw aan het wettig gezag tijdens de onrusten onder de slaven te Nickerie’.

Vorige

Afschaffing

Kopje met afbeelding van geketende geknielde slaaf. Nederland, ca. 1850-1900

Schotel met afbeelding van een zittende slavin. Nederland, ca. 1850-1900

Mededogen met het lot van de slaven in de overzeese gebiedsdelen was er sinds het einde van de 18de eeuw ook in Nederland. Het initiatief voor afschaffing in de Europese koloniën kwam uit Groot-Brittannië. In 1814 ondertekende Nederland een internationaal verdrag voor stopzetting van de handel in slaven. Op 1 juli 1863 werd de slavernij zelf officieel afgeschaft in Nederlands belangrijkste slavenkolonie Suriname. Het effect daarvan bleef voorlopig beperkt. De voormalige slaven waren verplicht om na hun vrijmaking nog minstens tien jaar op contractbasis op de plantages te blijven werken. Méér dan met de slaven was men in Nederland begaan met de slaveneigenaars. Die kregen als vergoeding voor elke vrijgemaakte slaaf 300 gulden uit de staatskas.