De opkomst van de industrie en de groei van de steden leidden in de tweede helft van de 19de eeuw tot ernstige sociale problemen onder de bevolking. Werkdagen van twaalf uur en meer kwamen voor, ook voor vrouwen en kinderen. De woon- en werkomstandigheden in de grote steden waren vaak mensonterend. Arbeiders verenigden zich in organisaties om daar verandering in aan te brengen.

Volgende

Kinderarbeid

Fabriekskinderen danken Samuel van Houten. Nederland, 1874

Op initiatief van het liberale kamerlid Samuel van Houten werd in 1874 fabrieksarbeid voor kinderen onder de twaalf jaar verboden. Het was een eerste stap op weg naar verbetering, maar voorlopig bleven de wantoestanden voortbestaan. De controle op de naleving van de nieuwe wet was gebrekkig en kinderarbeid in de landbouw en thuis bleven buiten de regelgeving. Het Kinderwetje van Van Houten was de eerste sociale wet in Nederland. De werktijden van vrouwen, kinderen en later ook mannen werden op den duur beter geregeld met de Arbeidswet van 1889 en een vernieuwing van die wet in 1911. In de strijd tegen arbeid door jonge kinderen was de invoering van de leerplicht in 1901 van groot belang.

Vorige

Emancipatie

Verenigde fabrieksarbeiders staan samen sterk. Jan de Waardt, 1900

Insigne van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht. Nederland, 1908

Behalve de gegoede burgerij eisten ook andere Nederlanders in de loop van de tweede helft van de 19de eeuw hun rechten op. Arbeiders organiseerden zich in vakbonden en politieke partijen. Zij streden voor verbetering van hun werkomstandigheden en kiesrecht voor iedereen. De eeuwenlang achtergestelde katholieke Nederlanders eisten gelijke behandeling en maakten zich – zij aan zij met protestanten – sterk voor eigen onderwijs op godsdienstige grondslag. Vrouwen vroegen met kracht om gelijke behandeling en vooral ook om kiesrecht. Met de grondwetswijziging van 1917 was het algemeen mannenkiesrecht een feit en werd het bijzonder onderwijs gelijkgesteld met het openbare. Het vrouwenkiesrecht volgde in 1919.