Sinds 1667 had Nederland ook de macht over voormalige Engelse koloniën in het noordoosten van het huidige Zuid-Amerika. De bekendste daarvan is Suriname. Duizenden slaven werkten er op suiker- en koffieplantages. In de Franse Tijd (1795-1813) kwam Suriname tijdelijk opnieuw in Britse handen, waarna de kolonie in handen kwam van de nieuwe Nederlandse koning Willem I.

Volgende

Suiker en slaven

Plantage in Suriname. Dirk Valkenburg, 1707

Kaart voor de Sociëteit van Suriname. Alexander de Lavaux, 1737

Het bestuur van Suriname was in de 18de eeuw in handen van de Sociëteit van Suriname. Dit was een particuliere onderneming, opgericht door de stad Amsterdam, de West-Indische Compagnie (WIC) en de handelsfamilie Van Sommelsdijck. Elk partij had officieel één stem in de Sociëteit, maar in de praktijk waren de meeste afgevaardigden verbonden aan de Amsterdamse bestuurselite.

De organisatie bemiddelde bij de verkoop van Surinaamse producten, vooral suiker en koffie, en de slavenhandel, die officieel was voorbehouden aan de West-Indische Compagnie (WIC). De slaven werden aangevoerd vanuit Afrika en verkocht op de slavenmarkt in Suriname. Velen werkten op de suikerplantages, waarvan er in 1750 meer dan 500 waren. Het werk van deze ‘veldslaven’ was zwaar, met lange uitputtende werkdagen onder de ogen van de met zwepen uitgeruste toezichthouders.

Vorige Volgende

Mauricius en de marrons

Portret van Joan Jacob Mauricius, gouverneur-generaal van Suriname. Cornelis Troost, 1741

Lokaal werd de kolonie Suriname geregeerd door een gouverneur, bijgestaan door een politieke raad waarin de rijkste planters waren vertegenwoordigd. Een aanhoudend probleem voor die planters waren de ‘marrons’: weggelopen slaven die vanuit het oerwoud plantages aanvielen. Gouverneur Joan Jacob Mauricius probeerde halverwege de 18de eeuw vergeefs vrede te sluiten met de opstandige slaven. De planters waren weinig ingenomen met zijn aanpak. Zij kregen het uiteindelijk voor elkaar dat Mauricius werd ontheven van zijn post. Maar ook de gouverneurs na hem wisten geen raad met de opstandige weglopers: in 1757 kwam het zelfs tot een massale slavenopstand. Gouverneur De Friderici slaagde erin de belangrijkste groep, de Boni, in 1793 met militaire middelen op de knieën te drijven. Het probleem van de weglopers bleef echter bestaan.

Vorige Volgende

Beste baantjes

Portret van een Surinaams meisje. Engeland, ca. 1810

De bevolking van Suriname was primair onderverdeeld in ‘niet-vrijen’ (slaven) en ‘vrijen’. De laatste groep bestond uit blanken, kleurlingen en zwarten. Naast Nederlanders waren er Engelsen, Fransen en Duitsers naar de kolonie gekomen om er te werken en vanwege het tolerante religieuze klimaat. Bovenaan de maatschappelijke ladder stonden hoge ambtenaren, kooplieden en planters. De opzichters van de plantage vormden een blanke middenklasse, terwijl de soldaten het minste aanzien genoten binnen de blanke gemeenschap. Kleurlingen hadden blank bloed, waardoor zij superieur werden geacht aan de zwarten. Langzamerhand ontstond een middenklasse van kleurlingen. Onder de slaven kregen kleurlingen ook de beste baantjes, zoals huisbediende. Zwarte slaven maakten echter het grootste deel uit van de bevolking: in 1791 waren er 53.000 in Suriname. Ter vergelijking: de kolonie kende ruim 5000 blanke inwoners.

Vorige

Britse bezetting

Diorama van plantage Zeezigt in Suriname. Gerrit Schouten, ca. 1815-1821

Diorama van een Surinaamse slavendans. Gerrit Schouten, 1830

Ook de 19de-eeuwse Surinaamse kunstenaar Gerrit Schouten was een kleurling. Zijn vader was een blanke en zijn moeder een vrije kleurlinge. Schouten maakte tientallen diorama’s van taferelen uit het dagelijks leven in de kolonie, zoals slavendansen en stadsgezichten van de stad Paramaribo. In de Franse Tijd (1795-1813) was Suriname tweemaal bezet geweest door de Engelsen, maar van hun hervormingspogingen is weinig terechtgekomen. Tot ontzetting van de planters hadden zij in 1808 de invoer van slaven afgeschaft. Via smokkelroutes kwamen er bijna evenveel slaven binnen als voorheen. Na de Vrede van Parijs (1815) kwam Suriname in handen van de nieuwe Nederlandse vorst, Willem I. Hoewel hij de slavenhandel door Nederlandse onderdanen had verboden, bleef slavernij in de kolonie bestaan. Pas in 1863 zou de slavernij door Nederland officieel worden afgeschaft.