Om de risico’s te spreiden en de vaart op Azië te reguleren werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie opgericht. In vrij korte tijd wist de VOC, goedschiks of kwaadschiks, over heel Azië handelsposten te vestigen.

Volgende

Multinational

Allegorische voorstelling van de Amsterdamse Kamer van de VOC. Nicolaas Verkolje, ca. 1702-1746

De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) werd opgericht in 1602 en ging zo’n twee eeuwen later ten onder. De onderneming, een bundeling van handelsorganisaties uit verschillende Hollandse en Zeeuwse steden, voerde zowel handel binnen Azië als tussen Azië en Europa. Het bedrijf was de eerste naamloze vennootschap ooit met vrij verhandelbare aandelen. Het ontwikkelde zich tot een grote en machtige handels- en transportonderneming. De VOC had z’n eigen scheepswerven, waarvan die in Amsterdam de omvangrijkste was. Door de spectaculaire vaart op Azië was Nederland een tijdlang het belangrijkste handelscentrum van de wereld.

Vorige Volgende

Aziatisch netwerk

Het kasteel van Batavia. Andries Beekman, ca. 1656

In Azië bouwde de VOC een netwerk op van honderden vestigingen: van simpele kantoortjes en pakhuizen tot imponerende machtsbolwerken. Centrum van de VOC in Azië werd Batavia (Jakarta) op Java. Batavia werd in 1619 gesticht. In dat jaar nam Jan Pietersz. Coen met geweld de havenplaats Jacatra in. Hij liet er een grote vesting bouwen (het Kasteel van Batavia) met werkplaatsen, pakhuizen en woningen voor het VOC-personeel. Eromheen groeide de stad die op haar beurt weer omringd werd door muren. In het Kasteel zetelde ook de gouverneur-generaal, de hoogste VOC-functionaris in Indië. Hij was voorzitter van de Raad van Indië, het bestuurscollege dat alle beslissingen in Indië nam.

Vorige Volgende

Een zware en eentonige reis

Model van de Oost-Indiëvaarder Merkurius. Middelburg, 1747

Na de oprichting van de VOC zeilde twee of drie maal per jaar een vloot uit de Republiek naar Azië. De retourschepen werden groter zodat ze meer opvarenden en handelswaar konden vervoeren. De heenreis duurde gemiddeld acht maanden. Zeven knopen (13 kilometer per uur) was al een mooie snelheid. Langs de vaarroute stichtte de VOC handelsposten waar de schepen tijdens de reis proviand konden inslaan. Tussen 1602 en 1610 voeren 8500 mensen naar de Oost. Dat getal steeg snel: in de 17de eeuw vertrokken ongeveer 4000 mensen per jaar naar Azië, in de 18de eeuw nog meer. De schepen konden honderden opvarenden herbergen. De gewone scheepslui en de soldaten die altijd meevoeren, sliepen op elkaar gepakt tussendeks, waar het benauwd was en stonk. Enige hygiëne was er ver te zoeken. De officieren, de schipper en eventuele passagiers hadden hun hutten op het achterdek. De tucht aan boord was heel streng, dat moest ook wel. De vaart op Azië bleef een gevaarlijke onderneming, en was meestal zwaar en eentonig.

Vorige Volgende

Retourschepen

Een opperkoopman van de VOC, met op de achtergrond de retourvloot op de rede van Batavia. Aelbert Cuyp, ca. 1640-1660

Voor de lange reis naar Azië en terug werden ‘retourschepen’ gebruikt. Eigenlijk waren dit vrachtvaarders en oorlogsschepen tegelijk: stevige schepen met een groot laadvermogen, want er moest veel proviand en geschut mee. Hout- en touwwerk hadden onderweg duchtig te lijden. Op de werf in Batavia werden ze ‘gekalefaterd’ (opgeknapt), zodat ze in goede conditie de retourreis konden aanvaarden.

Vorige Volgende

Van hot naar her

De factorij van de VOC te Hoegly in Bengalen. Hendrik van Schuylenburgh, 1665

Vanaf 1604 had de VOC vaste voet aan de grond in India. Rond de hele kustlijn, van Surat tot Calcutta, waren factorijen en pakhuizen van de VOC te vinden – een veel groter gebied dan wat op de Indische archipel in gebruik was. Van de archipel haalden de Nederlanders de meeste specerijen: zout, peper, muskaatnoten, kruidnagels en kaneel. India zorgde voor een ruime aanvoer aan textiel: zijde en katoenen stoffen. De fijn gedecoreerde sitsen (katoen) werden in Europa heel populair, evenals de zijde. Bengaalse opium vond – in kleine hoeveelheden – aftrek op Java en mondjesmaat in Europa. De opium werd als genotmiddel gerookt. Uit Japan kwam goud, zilver, koper en porselein. De Japanners waren weer grage afnemers van de Indiase zijde. Zijde, porselein en thee werden ook in China betrokken. De VOC heeft een tijdlang binnen Azië in olifanten gehandeld. Die haalde de VOC van Ceylon (Sri Lanka).

Vorige

Uitzonderlijke positie

Maquette van het eiland Deshima. Nagasaki, 1850-1851

Tweeëneenhalve eeuw lang waren de Nederlanders de enige Europeanen die handel mochten drijven met de Japanners. Ze moesten dat wel doen vanaf een piepklein, kunstmatig eilandje in de baai van Nagasaki: Deshima. Europeanen mochten het land niet in, de Japanners zelf mochten hun land niet uit. Maar één keer per jaar mocht een kleine Nederlandse delegatie naar Tokio reizen om de shogun te bedanken voor Nederlands uitzonderlijke positie – en hem de nodige geschenken te geven natuurlijk.
Via de brug die Deshima verbond met de stad werden goederen getransporteerd en maakten Nederlanders kennis met de Japanse cultuur. Tot de geïsoleerde Japanners drong het langzaamaan door dat er ‘een rest van de wereld’ was. Daar werd vooruitgang geboekt, werden ontdekkingen gedaan, terwijl in Japan de tijd stilstond. Vooral de Nederlandse atlassen en hemelglobes waren een bron van Japanse ver- en bewondering. Verder vonden ze de Nederlanders maar barbaren met vieze eetgewoontes.