Kruisiging

Jezus werd gekruisigd in het jaar 33 op Golgota, de 'schedelplaats' bij Jeruzalem. Volgens de evangelist Johannes moest Jezus zijn eigen kruis erheen dragen. Andere evangelisten melden dat ene Simon van Cyrene hem moest helpen. Ook Jezus’ naasten kwamen mee: zijn moeder Maria, haar halfzuster Maria Klopas en Maria Magdalena. Toen Jezus 's avonds stierf, scheurde het gordijn van de tempel in Jeruzalem en beefde de aarde. Na zijn dood werd Jezus ‘Christus’ (gezalfde, verlosser) genoemd, omdat hij alle zonden van de mens op zich had genomen. Christus aan het kruis werd het beeldmerk van het christendom. Vanaf de 13de eeuw ligt in kruisigingsvoorstellingen de nadruk op Christus’ lijden. Ze bevatten verhalende details, zoals de gekruisigde misdadigers naast hem, soldaten dobbelend om Jezus’ kleding, de soldaat Longinus die hem stak met een lans en de knecht Stephaton met de azijnspons. De kruisdraging werd een belangrijk motief uit Christus’ lijdensweg in passiereeksen en kruiswegstaties.

Verzamelingen

RijksStudio

Christelijke Kunst van W.J. Lubbers

3 november 2013 - 56 werken

Middeleeuwen / Średniowiecze van Marcin Maslanka

14 maart 2014 - 73 werken

Religious Art van Nicole S. Bakhazi

7 november 2012 - 20 werken