Pieter Isaacsz (1569-1625)De portret- en historieschilder Pieter Isaacsz groeide op in Helsingor aan de Sont. Zijn vader emigreerde met zijn gezin vanuit Nederland naar Denemarken waar hij werkte als handelsagent voor koning Frederik II. Na de dood van Pieters moeder reisde het gezin naar Amsterdam, waar hij zijn schildersopleiding kreeg van Cornelis Ketel. Vervolgens ging Isaacsz in Venetië in de leer bij de Duitse kunstenaar Hans van Aken. In deze periode maakte hij voornamelijk maniëristischeManiërismeDe term 'maniërisme' wordt gebruikt voor de periode in de kunstgeschiedenis die volgt na de Renaissance. Rond 1520 streefde een aantal Italiaanse kunstenaars ernaar hun voorgangers - beroemde meesters als Rafael en Michelangelo - te evenaren. Sommigen probeerden bepaalde aspecten van de stijl (de manier, 'maniera') van deze kunstenaars te overtreffen. Zij keken bijvoorbeeld naar de gespierde lichamen en ingewikkelde houdingen in Michelangelo's late werk en deden daar nog een schepje bovenop. Lichamen met overdreven proporties en sterke draaiingen waren het resultaat. De 'maniera' van deze kunstenaars werd hierdoor een doel op zich, bijna een 'maniertje'. Later werd deze kunst daarom wel 'maniërisme' genoemd. Een ander kenmerk van het maniërisme is de nadruk op beweging, emotie en dramatiek. In de maniëristische schilderkunst werden fellere en koelere kleuren gebruikt dan in de Renaissance. Het maniërisme verspreidde zich snel over Europa. De Vlaamse kunstenaar Bartholomeus Spranger speelde hierin een belangrijke rol. In Rome maakte hij kennis met de nieuwe stijl, die hij als hofschilder in Praag verder ontwikkelde en vernieuwde. Via zijn contacten met Haarlemse kunstenaars als Hendrick Goltzius en Cornelis van Haarlem raakte het maniërisme in het noorden bekend. schilderijen met bijbelseDe bijbelDe christelijke leer is gegrondvest op de bijbel. Het woord 'bijbel' komt van het Griekse woord 'biblos', dat 'boek' betekent. In feite is de bijbel niet één boek, maar een verzamelbundel. Hij bestaat uit twee delen, het Oude en het Nieuwe Testament, die allebei ook weer uit verschillende geschriften zijn samengesteld. Deze geschriften worden 'bijbelboeken' genoemd. In het Oude Testament staat de geschiedenis van het joodse volk, van de schepping van Adam en Eva tot aan de Romeinse tijd. Het Nieuwe Testament gaat over Jezus Christus, de grondlegger van het christendom. Hierin ligt de nadruk op zijn leer, zijn kruisiging en zijn opstanding uit de dood. Ook worden in het Nieuwe Testament de lotgevallen van Christus' eerste volgelingen, de apostelen, besproken. thema's. Rond 1593 keerde hij terug naar Amsterdam. Aan het begin van de 16de eeuw werkte hij voor het stadhouderlijkStadhouderEen stadhouder (het woord betekent plaatsbekleder) verving de vorst in een deel van diens rijk. Hij was bestuurder en legeraanvoerder. Toen de Nederlandse gewesten (provincies) aan het eind van de 16de eeuw in opstand kwamen tegen de Spaanse koning bleef het ambt toch bestaan. Voortaan benoemden de gewesten zelf hun stadhouder. Ieder gewest had zijn eigen stadhouder, maar dikwijls werd dezelfde in meerdere gewesten benoemd. hof. Pieter Isaacsz onderhield nauwe contacten met Karel van Mander en Hendrick de Keyser. Tot zijn leerlingen behoorden Hendrick Avercamp en Pieter Lastman. |